Category

Advocatuur Nieuws

Huwelijksvermogensrecht 29 jan 2019

By | Advocatuur Nieuws | No Comments

Met ingang van 29 Januari 2019 is de EU-verordening Huwelijksvermogensrecht in werking getreden.

In internationale echtscheidingszaken is het vaak onduidelijk welke rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van een geschil omtrent het huwelijksvermogen, welk recht hierop van toepassing is en of en zo ja hoe een buitenlandse beslissing al dan niet in een ander land kan worden erkend en ten uitvoer worden gelegd. Het doel van de Verordeningen is om uniforme internationale privaatrechtelijke regels te hanteren voor wat betreft de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging voor wat betreft beslissingen op het gebied van huwelijksvermogen. 18 landen zijn aangesloten bij de Verordening, te weten: Nederland, België, Bulgarije, Cyprus, Finland, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Luxemburg, Malta, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Spanje, Tsjechië en Zweden.

Op grond van de verordening kunnen de echtgenoten of toekomstige echtgenoten zelf overeenkomen welk recht op hun huwelijksvermogensstelsel van toepassing is. Zij kunnen kiezen voor het recht van het land alwaar één van hen ten tijde van de keuze hun gewone verblijfplaats heeft of voor het recht van het land waarvan één van hen de nationaliteit bezit.

Indien er geen keuze is uitgebracht zal artikel 26 van de verordening worden toegepast. Hierin is bepaald dat het recht zal gelden van de lidstaat waar de echtgenoten zich na het huwelijk hebben gevestigd. Wanneer zij zich niet hebben gevestigd in hetzelfde land, zal het recht van het land van de gemeenschappelijke nationaliteit gelden. In de situatie dat er geen sprake is van een gemeenschappelijke nationaliteit, zal het recht gelden waarmee de echtgenoten de nauwste band hebben.

Ook voor partnerschappen geldt een nieuwe Verordening.

De Verordening geldt voor huwelijken die op of na 29 januari 2019 zijn aangegaan. Voor eerder tot stand gekomen huwelijken geldt in Nederland het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Het Haags huwelijksvermogensverdrag 1978 is van toepassing in Nederland, Luxemburg en Frankrijk.

De EU-verordening Huwelijksvermogensrecht:
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32016R1103

Betaalt u niet teveel alimentatie?

By | Advocatuur Nieuws

Per 1 januari 2015 hebben er grote fiscale wijzigingen plaatsgevonden, die grote gevolgen kunnen hebben voor alimentatieplichtige ouders.

Het belastingvoordeel voor betaalde kinderalimentatie is afgeschaft. Ook is het kindgebonden budget sterk toegenomen. Door deze wijzigingen bestaat er in sommige gevallen geen aanleiding meer voor een onderhoudsbijdrage.

Onze gespecialiseerde familierecht advocaten adviseren u graag tegen een vast tarief over de fiscale wijzigingen en de gevolgen daarvan voor uw situatie.

U kunt vrijblijvend contact opnemen met onze advocaten via onze contactgegevens. U kunt natuurlijk ook het contactformulier invullen op onze website.

 

Artsen moeten gezinsvoogd informatie geven

By | Advocatuur Nieuws

Per 1 januari 2015 krijgen gezinsvoogden een wettelijk recht op informatie. Daardoor moeten ook artsen hen desgevraagd de noodzakelijke informatie geven. Zo nodig zonder toestemming van betrokkenen.

De informatie die de arts moet geven, kan betrekking hebben op het kind dat onder toezicht is gesteld, maar ook op zijn of haar ouders of verzorgers. In beide gevallen gaat het alleen om informatie die nodig is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit wil zeggen dat met die kennis kan worden voorkomen dat het kind in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
De spreekplicht van de arts is vastgelegd in de nieuwe wet Herziening kinderbeschermingsmaatregelen, die in 2012 door de Tweede Kamer is aangenomen, en dit voorjaar ook door de Senaat. Doordat de wet een spreekplicht oplegt aan een arts, is deze niet gebonden aan het beroepsgeheim, stelt de KNMG in een persbericht. Ook heeft de arts het recht om op eigen initiatief contact te zoeken met de gezinsvoogd. Wel doet de arts er goed aan om het kind en diens ouders vooraf, of zo snel mogelijk achteraf, te vertellen welke informatie is gegeven.

Tot nu toe konden arts en gezinsvoogd alleen informatie uitwisselen met uitdrukkelijke en gerichte toestemming van betrokkene of bij een ‘conflict van plichten’. De KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld en het model samenwerkingsafspraken informatie-uitwisseling Jeugdzorg-(G)GZ liepen al vooruit op de nieuwe wet.

                                                                                                                bron: “medisch contact”

Nieuwe wetgeving voor duomoeders

By | Advocatuur Nieuws

Sinds 1 april 2014 is het voor vrouwenparen eenvoudiger geworden om beide juridisch ouder te worden van het kind die binnen hun huwelijk of relatie wordt geboren of binnen hun huwelijk of relatie opgroeien.

Gehuwde vrouwenparen/ vrouwenparen met een geregistreerd partnerschap en bevruchting van onbekende zaaddonor

Indien twee vrouwen met elkaar gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan worden beide van rechtswege moeder van een kind dat binnen het huwelijk of geregistreerd partnerschap is geboren. Wel dienen deze vrouwenparen bij de geboorteaangifte een verklaringen te overleggen van de stichting Donorgegevens waarin staat vermeld:

a. dat voor het tot stand komen van de zwangerschap gebruik is gemaakt van Nederlandse kunstmatige donorbevruchting in de zin van artikel 1 onder c sub 1 Wet donorgegevens kunstmatige donorbevruchting;

en

b. dat daarbij gebruik is gemaakt van een anonieme zaaddonor.

Indien voornoemde verklaring kan worden overlegd dan ontstaat het juridische ouderschap van de duomoeder van rechtswege met terugwerkende kracht vanaf de geboorte.

Vrouwenpaar is niet gehuwd of er is gebruik gemaakt van een bekende zaaddonor

Indien de vrouwenparen niet met elkaar gehuwd zijn of indien zij (wel of niet gehuwd zijn) maar besluiten om gebruik te maken van een bekende zaaddonor, dan ontstaat het juridische ouderschap niet van rechtswege. De duomoeder kan in dit geval het kind met toestemming van de geboortemoeder erkennen. Dit geldt ook voor kinderen die voor 1 april 2014 zijn geboren.

Wat als de geboortemoeder geen toestemming geeft voor de erkenning? De duomoeder kan in dit geval vervangende toestemming vragen tot erkenning aan de rechter. Vereiste is dan wel dat zij als levensgezel van de geboortemoeder toestemming heeft gegeven tot de daad die tot de verwekking van het kind heeft geleid. Indien de erkenning in het belang van het kind is zal de rechter de toestemming van de geboortemoeder vervangen.

Roept dit onderwerp vragen bij u op of heeft u te maken met een situatie waarin u tegenwerking ondervindt bij de totstandkoming van uw juridisch ouderschap? Neem dan telefonisch (070-2124391) of via de e-mail (info@holstegeadvocatuur.nl) contact met ons op.

 

 

 

 

Zelfs zonder family life is een omgangsregeling mogelijk

By | Advocatuur Nieuws

Ook al is er geen sprake van family life of is er geen contact geweest tussen de ouder en het kind, dan kan de ouder toch recht hebben op omgang met het kind.

Indien ouders uit elkaar zijn, heeft de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft recht op contactmomenten met het kind. Voorheen was het noodzakelijk dat deze ouder het kind ook heeft erkend of dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de ouder en het kind.

De rechtbank Den Haag heeft echter bepaald dat er toch recht op omgang (contact) kan zijn, als er geen sprake is van family life of als er nooit contact is geweest tussen de ouder en het kind. Er dient dan wel sprake te zijn van intended family life: de ouder heeft van begin af aan contact of omgang gewild met het kind, maar door omstandigheden is dat niet gerealiseerd. Men kan dan denken aan de situatie dat de andere ouder de omgang/ het contact tussen het kind en de ouder tegenhoudt. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of het feit dat er geen omgang plaatsvindt met het kind een inbreuk is op het recht tot bescherming van het privé van de ouder. Indien hiervan sprake is zal alvorens de rechtbank een omgangsregeling vaststelt eerst nog wel beoordeeld dienen te worden of een omgangsregeling in het belang van het kind is.

Mocht u over dit onderwerp vragen hebben dan kunt u mailen naar info@holstegeadvocatuur.nl of neem telefonisch contact met ons op: 070 212 4391

Bron: ECLI:NL:RBDHA:2014:6336

 

Onderhandse afspraak nietig omdat sprake was van een huwelijkse voorwaarde

By | Advocatuur Nieuws

In het kader van hun echtscheiding twisten M en V bij de rechtbank onder meer over het finaal verrekenbeding dat zij in 1997 hadden opgenomen in hun huwelijkse voorwaarden.

In 2009 hebben M en V een onderhandse overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat bij een eventuele echtscheiding de woning van V buiten de finale verrekening wordt gehouden. Volgens de rechtbank behelst deze afspraak een wijziging van de huwelijkse voorwaarden die op straffe van nietigheid bij notariële akte moet worden aangegaan (artikel 1:115 BW). Dit zou anders kunnen zijn als de overeenkomst is gemaakt met het oog op een ophanden zijnde echtscheiding, maar V heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Het ondertekenen van de onderhandse overeenkomst is volgens de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat verrekening van de woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Artikel 1:115 BW strekt immers ter bescherming van partijen bij de huwelijkse voorwaarden. Door de inhoud van de overeenkomst toch mee te nemen, zou de rechtbank voorbijgaan aan het oogmerk van de vereiste tussenkomst van de notaris, te weten wijziging van huwelijkse voorwaarden door onkunde en feitelijk overwicht te voorkomen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de overeenkomst uit 2009 niet moet worden meegenomen.

Tijdens het huwelijk heeft V door een ongeluk letsel opgelopen. In verband hiermee is na de peildatum voor de verrekening aan haar een schadevergoeding uitgekeerd. Omdat sprake is van een verrekeningbeding alsof partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen, is de rechtbank van oordeel dat het leerstuk van verknochtheid van schadevergoeding geldt. Dat de schadevergoeding pas ná de peildatum is uitgekeerd, acht de rechtbank niet van belang, omdat het ongeluk – en de daaruit voortvloeiende vordering tot schadevergoeding – vóór de peildatum heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat voor zover de schadevergoeding ziet op immateriële schade deze aan V is verknocht omdat deze geldt als compensatie voor de schade die het slachtoffer zelf heeft geleden. Voor wat betreft het deel van de vergoeding dat ziet op materiële schade oordeelt de rechtbank dat voor zover de uitkering ziet op verlies van verdienvermogen (€ 15.000) deze moet worden verdeeld over het normale werkzame leven van V. Zij was ten tijde van het ongeluk 46 jaar en toen dus nog 19 jaar verwijderd van haar 65e jaar. Omdat tussen het ongeluk en de peildatum 4 jaar ligt, komt € 3.158 (€ 15.000 x 4/19) voor verrekening in aanmerking. Voor zover de uitkering ziet op huishoudelijke hulp en verlies van zelfredzaamheid (€ 45.000) gaat de rechtbank ervan uit dat V nog 30 jaar na het ongeluk lichamelijke beperkingen daarvan zal ondervinden met als gevolg dat hiervan € 6.000 (€ 45.000 x 4/30) voor verrekening in aanmerking komt.

Tijdens het huwelijk heeft M geld geërfd. Omdat dit geld is gestort op een gezamenlijke bankrekening, is de rechtbank van oordeel dat V moet bewijzen dat het geld voor privédoeleinden van M is gebruikt. Omdat V dit heeft nagelaten, heeft M een vordering op V.

Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6392 (VFAS JurisprudentieFLITS)

Kabinet wil geen verplichte bemiddeling bij ‘vechtscheiding’

By | Advocatuur Nieuws

Het kabinet gaat ouders die met elkaar in de clinch liggen over hun scheiding niet verplichten om naar een bemiddelaar te gaan.

Wel ziet staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie mogelijkheden om mediation vaker in te zetten om het aantal vechtscheidingen, waarvan kinderen vaak de dupe zijn, terug te dringen.

”Ik sluit drang niet uit, dwang wel”, zei hij woensdag in een overleg met de Tweede Kamer.Daarin reageerde hij op een voorstel van de regeringspartijen VVD en PvdA om mediation verplicht te stellen voor scheidende ouders die naar de rechter willen stappen.Cijfers in Scandinavië wijzen volgens VVD-Kamerlid Brigitte van der Burg uit dat verplichte bemiddeling het aantal vechtscheidingen met vijftig procent kan terugbrengen.

PvdA-Kamerlid Loes Ypma benadrukte dat voorkomen moet worden dat kinderen ‘klem en verloren’ raken tussen hun ouders. Ouders die de kosten niet kunnen dragen moeten aanspraak kunnen maken op rechtsbijstand.

Maar Teeven wil dat niet in de wet vastleggen. Als de ruziënde ouders er onderling niet uitkomen, moet de rechter volgens hem een besluit nemen. Die kan de partijen dan ”op vrijwillige basis” maar ”met een zetje in de rug” doorverwijzen naar een mediator.

Geld opleveren

SP-Kamerlid Nine Kooiman zegt in het debat over vechtscheidingen dat de kosten inderdaad hoog zijn, maar dat het uiteindelijk geld oplevert. “Je voorkomt de gang naar de rechter.” Kinderen die daadwerkelijk bij de rechter terechtkomen moeten volgens de SP begeleid worden door een speciale ‘coach’.Ook de ChristenUnie is positief. “Van de 55 duizend kinderen die te maken hebben met een echtscheiding, zitten er zestienduizend kinderen in een vechtscheiding”, zei ChristenUnie-Kamerlid Joël Voordewind. “Als een vechtscheiding dreigt is de ChristenUnie voor verplichte mediation.”Voordewind wil zelfs een stap verdergaan: ook het ontstaan van relatieproblemen moet aandacht krijgen. Volgens het Kamerlid is voorkomen beter dan genezen. Centra voor Jeugd en Gezin zouden hier op moeten letten en waar nodig therapie bieden.De hulp zou bovendien deel moeten gaan uitmaken van het basisverzekering. Tijdens het debat presenteerde hij zeven aanbevelingen voor het ondersteunen bij en verminderen van relatieproblemen.

Door: Novum/ANP (bron www.nu.nl)

Afwijking van hoofdregel ‘verdeling’ schuld bij helfte (artikel 1:100 BW)

By | Advocatuur Nieuws

M en V zijn in 2004 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 1 juni 2010 eindigt de gemeenschappelijke huishouding, als M de echtelijke woning verlaat. In de periode dat M op zichzelf woont, leent hij € 20.000 van zijn zus.
Het huwelijk van partijen wordt in augustus 2011 door echtscheiding ontbonden. De schuld van € 20.000 van M aan zijn zuster bestaat dan nog.

Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld van M aan zijn zuster een gemeenschapsschuld is. De schuld is ontstaan vóór de datum van ontbinding van het huwelijk en valt uit dien hoofde in de gemeenschap. Ingevolge artikel 1:100 BW zijn partijen na ontbinding ieder in beginsel voor de helft draagplichtig voor de gemeenschapsschulden.
Partijen twisten over de vraag of er – in het licht van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking tussen partijen mede beheerst – redenen zijn om te oordelen dat M deze schuld als een eigen schuld voor zijn rekening dient te nemen, zonder verrekening met V (zoals de rechtbank heeft beslist).

Vast staat dat M de schuld bij zijn zuster zelfstandig en zonder overleg met V is aangegaan in een periode dat hij en V niet meer samenwoonden en geen gemeenschappelijke huishouding meer voerden. Deze omstandigheden impliceren volgens het hof dat alleen M wetenschap van de achtergrond van de schuld heeft.
M heeft zich beroepen op de noodzaak van het aangaan van de schuld, en heeft gesteld dat hij de schuld is aangegaan om zijn huishouding te kunnen bekostigen, zijn (huur)woning in te richten en advocaatkosten en andere schulden van de gemeenschap te betalen.
V heeft deze stellingen gemotiveerd betwist door onder meer te verwijzen naar de wijze waarop de rechter reeds bij beschikking van 10 mei 2010 bij de berekening van de door M aan haar te betalen partneralimentatie rekening heeft gehouden met de kosten van de huishouding van M en zijn (aanstaande) dubbele woonlasten.
Het had, aldus het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door V, op de weg van M gelegen om zich concreet en duidelijk over het ontstaan en de achtergrond van de schuld (nader) uit te laten, althans zijn stelling dat deze schuld is aangegaan om gemeenschappelijke schulden te betalen anderszins aannemelijk te maken, hetgeen hij heeft nagelaten. Wat betreft de betaalde advocaatkosten, waarvoor M stelt te hebben geleend, is het hof van oordeel dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat ieder van de partijen de eigen kosten van rechtsbijstand draagt, en dat ter zake geen verrekening tussen hen plaatsvindt.
Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden acht het hof een afwijking van de hoofdregel van artikel 1:100 BW gerechtvaardigd. De redelijkheid en billijkheid brengen naar het oordeel van het hof met zich dat V in het kader van de verdeling niet draagplichtig is voor de schuld aan de zuster van M en dat de draagplicht van deze door M aangegane schuld geheel op hem dient te rusten. Dat betekent dat de schuld volledig door M dient te worden afgelost, zonder dat hij de helft van de aflossing kan verhalen op V.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2472 (VFAS FL!TS)

 

Vaststelling behoefte jong meerderjarige die op de middelbare school zit.

By | Advocatuur Nieuws

Het huwelijk tussen M en V is in 1996 door echtscheiding ontbonden. Uit het huwelijk is in 1994 zoon Z geboren. M voldeed met ingang van 15 juli 2009 tot 10 februari 2012 (de dag waarop Z meerderjarig werd) een bijdrage aan de gemeente voor Z, omdat V een WW-uitkering ontvangt. Sinds Z meerderjarig is geworden, betaalt M hem een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 250 per maand.

Z verzoekt de rechtbank te bepalen dat M met ingang van 10 februari 2012 een bijdrage van € 544 per maand in de kosten van levensonderhoud en studie van Z dient te voldoen. De rechtbank willigt het verzoek in, in die zin dat het door M te betalen bedrag wordt vastgesteld op € 498.
In hoger beroep is onder meer in geschil op welk bedrag de behoefte van Z dient te worden gesteld.
Door de rechtbank is bepaald dat er in de levensomstandigheden van Z – afgezien van het bereiken van de meerderjarige leeftijd – niets is gewijzigd, zodat aansluiting is gezocht bij de door de gemeente aan M opgelegde verhaalsbijdrage van € 510 per maand. De rechtbank heeft dit bedrag gecorrigeerd met het bedrag aan kinderbijslag van € 92 (omdat daarop geen recht meer bestaat) en bepaalde de behoefte van Z op € 602 per maand.

Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat de behoefte van een kind verandert op het moment dat het kind de meerderjarige leeftijd bereikt.

Daar Z op de middelbare school zit, heeft hij recht op een toelage ingevolge de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS). Anders dan de WSF-norm, kan de toelage op grond van de WTOS niet als uitgangspunt dienen voor het vaststellen van de behoefte van de jongmeerderjarige, nu uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de basistoelage niet beoogt de kosten van levensonderhoud van de leerling te dekken. Het hof gaat bij de berekening van de behoefte van Z daarom uit van de WSF-norm.
Vervolgens dient de in de WSF-norm opgenomen component voor lesgeld, boeken en leermiddelen gecorrigeerd te worden, aangezien een middelbare scholier, zoals Z, andere kosten maakt voor lesgeld, boeken en leermiddelen dan een student in het beroepsonderwijs.

Nu de ingangsdatum van de door M aan Z te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie op 4 september 2012 is bepaald, is de WSF-norm voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs in het schooljaar 2012/2013 relevant. De WSF-norm bedroeg in dat schooljaar € 554,50. Hierin wordt geacht rekening te zijn gehouden met de kosten van levensonderhoud, de premie ziektekostenverzekering, de studiekosten (boeken, schrijfmaterialen e.d.) en de onderwijsbijdrage. Het hof gaat er vanuit dat in dit normbedrag een bedrag van € 50 voor studiekosten en een bedrag van (afgerond) € 85 aan onderwijsbijdrage is opgenomen. Dit betekent dat de post levensonderhoud en premie ziektekostenverzekering € 419,50 bedraagt.

Z volgt regulier voortgezet onderwijs, zodat hij – anders dan bij het volwassen voortgezet onderwijs – geen lesgeld hoeft te betalen. Onbetwist is dat het schoolfonds het schoolgeld voor Z betaalt. Er zijn daarnaast wel bijzondere schoolkosten die Z dient te voldoen, onder meer voor de schoolweek naar Frankrijk, een grafische rekenmachine, kaftpapier, een tas en verplichte extra literatuurboeken. Het hof acht het redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 50 per maand aan bijzondere schoolkosten.
De behoefte van Z bedraagt derhalve (€ 419,50 + € 50 =) € 469,50 per maand.

Z maakt aanspraak op een basistoelage en een aanvullende toelage op grond van de WTOS van in totaal € 183,88 per maand. Dit bedrag strekt in mindering op zijn behoefte. Daarnaast dient ook de zorgtoeslag die Z ontvangt (€ 88 per maand) in mindering te komen op zijn behoefte.
De resterende behoefte van Z bedraagt derhalve (afgerond) € 198 per maand.

Z heeft een bijbaantje waarmee hij ± € 100 per maand verdient. Aangezien dit slechts een gering inkomen betreft, houdt het hof hier geen rekening mee.

Het hof ziet geen aanleiding om de behoefte van Z te verhogen met de door hem gestelde bijdrage aan V voor kost en inwoning (€ 250 per maand), de premie ziektekostenverzekering (€ 122 per maand), de kosten voor zijn telefoonabonnement (€ 14 per maand), de kosten voor kleding en de kosten voor sport, aangezien het hof er vanuit gaat dat deze kosten grotendeels zijn inbegrepen in de post levensonderhoud van € 419,50 per maand.
Ook verhoogt het hof de behoefte van Z niet met de door hem te betalen wegenbelasting voor zijn auto, daar Z de noodzaak voor het in eigendom hebben van een auto onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het hof merkt daarbij op dat Z deze kosten kan voldoen uit zijn bijbaantje.
Z heeft verklaard dat hij in de toekomst – als hij gaat studeren – op kamers wil gaan wonen en dat hij daarvoor moet sparen. Het hof ziet echter geen reden om met die wens thans al rekening te houden in de bepaling van de behoefte van Z.

De conclusie luidt dat de resterende behoefte van Z op € 198 per maand kan worden gesteld. Echter, omdat M heeft aangeboden om een bijdrage te voldoen van € 250 per maand, vormt dit de ondergrens van het geschil en bepaalt het hof dienovereenkomstig.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1081 (VFAS FL!TS)

Holstege (18)

 

Ontslag door overspannenheid: verwijtbaar inkomensverlies

By | Advocatuur Nieuws

Het huwelijk van M en V is in 2013 door echtscheiding ontbonden. Partijen zijn de ouders van drie (thans nog minderjarige) kinderen, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen wonen bij V.
Bij beschikking van 19 maart 2013 heeft de rechtbank de door M te betalen kinderalimentatie bepaald op € 510 per kind per maand.
M was tot 1 januari 2013 in loondienst bij X, waar hij een bruto maandsalaris van € 7.000 genoot. Sinds 1 januari 2013 ontvangt hij een WW-uitkering van € 2.540 bruto per maand.

M verzoekt de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen. Volgens M moet bij de berekening van zijn draagkracht rekening worden gehouden met zijn huidige inkomen op basis van zijn uitkering. V stelt dat er aan de zijde van M sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en dat daarom rekening moet worden gehouden met het inkomen dat hij ontving bij X.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het inkomen dat M vóór de beëindiging van zijn dienstverband ontving voor herstel vatbaar is. Vast staat dat M en X in overleg hebben besloten dat het dienstverband van M zou eindigen per 1 januari 2013. M heeft verklaard dat de reden voor de beëindiging van zijn dienstverband is gelegen in het feit dat zijn privéproblemen door de echtscheiding steeds meer zijn werkzaamheden gingen beïnvloeden en – naar het oordeel van X – van M een ongeoorloofde inmenging gingen vormen. Gelet op die gang van zaken acht het hof het voldoende aannemelijk dat M niet kan terugkeren in zijn baan bij X.
Voorts blijkt uit de door M overgelegde (afwijzingen op) sollicitaties dat hij regelmatig activiteiten verricht om werk te vinden, maar dat het hem nog niet gelukt is om een betaalde baan te vinden. Bovendien is M, omdat hij een WW-uitkering ontvangt, ook verplicht om te solliciteren en wordt hij uit dien hoofde door het UWV gecontroleerd. Het hof is van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat het inkomen van M niet voor herstel vatbaar is.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of M zich, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen, had dienen te onthouden van gedragingen die tot zijn ontslag, met als gevolg de inkomensvermindering, hebben geleid. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. M heeft onvoldoende onderbouwd dat hij getracht heeft te voorkomen dat zijn psychische gesteldheid zijn functioneren in zijn werk zou belemmeren, bijvoorbeeld door professionele hulpverlening in te schakelen. Verder komt het hof niet aannemelijk voor dat X (die M in december 2011 nog een gratificatie van € 12.500 toekende en op 16 juli 2012 een tussentijdse gratificatie van € 2.500 als teken van waardering voor zijn inzet en inspanningen) M wegens disfunctioneren had mogen ontslaan, ook al heeft dit plaatsgevonden via een door M getekende beëindigingsovereenkomst. M, die sinds 2009 in dienst was bij X, had onder de gegeven omstandigheden niet mogen instemmen. Daarbij komt dat uit de stukken ook niet blijkt van enig verzet van M jegens de wens van X om tot het einde van het dienstverband te komen.
Het hof is van oordeel dat voornoemd handelen en nalaten aan M kan worden verweten, dat het daardoor ontstane inkomensverlies aan hem kan worden toegerekend en dat de gevolgen daarvan volledig voor zijn rekening dienen te komen. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van M dan ook uit van het inkomen dat hij in 2012 bij X ontving.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9777 (Vfas FL!TS)Alimentatie website