Niet-wijzigingsbeding convenant

By | Advocatuur Nieuws | No Comments

Niet-wijzigingsbeding convenant

Partneralimentatie kan worden gewijzigd op grond van artikel 1:401 lid 1 en 4 BW indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden of als bij aanvang niet aan de wettelijke maatstaven is voldaan doordat de uitspraak gebaseerd was op onvolledige of onjuiste gegevens. Echter zorgt deze optie tot wijziging voor onzekerheid, gezien partijen bij de bovengenoemde situaties de hoogte van de partneralimentatie kunnen laten aanpassen.

Mensen hebben regelmatig behoefte aan financiële zekerheid. Degene die partneralimentatie moet betalen wenst dat deze niet kan worden verhoogd in de toekomst en degene die partneralimentatie ontvangt wenst dat deze niet wordt verlaagd in de toekomst. Bij opstellen van een convenant is het dan ook mogelijk voor partijen om aan de hoogte van de partneralimentatie een niet-wijzigingsbeding te koppelen. Uit artikel 1:159 lid 1 volgt dat: ‘Bij overeenkomst kan worden bedongen dat zij niet bij rechterlijk uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt.’

De afspraak omtrent het dergelijk beding houdt dus in dat in beginsel wijziging van de partneralimentatie door de rechter niet mogelijk is. Partijen nemen bij het sluiten van het convenant dus het risico dat zij, ondanks gewijzigde omstandigheden, de partneralimentatie in beginsel niet kunnen wijzigen. Het niet-wijzigingsbeding berust op het beginsel van rechtszekerheid en op de wens dat partijen het bestaan en de omvang van de alimentatieverplichting zeker te stellen.

Slechts indien er sprake is van een situatie zoals gesteld is in artikel 1:159 lid 3 BW, waarin er een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden plaatsvindt, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden, kan het beding worden gewijzigd.

Het gaat dan om een gewijzigde situatie dat onvoorzien is geweest en zo ingrijpend van aard is, dat het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer in stand mag worden gehouden. Echter uit de vaste jurisprudentie is gebleken dat vele redenen voor een alimentatiewijziging, zoals verminderde verdiencapaciteit, werkloosheid of ziekte of het feit dat de ex-partner inmiddels is gestegen in inkomen, onvoldoende zijn om het niet-wijzigingsbeding met een beroep op 1:159 lid 3 te doen slagen. Het rechtszekerheidsbeginsel weegt hier zwaar.

In een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2016:1415) overweegt het hof dat de overeenkomst tot partneralimentatie kan worden gewijzigd op grond van een situatie waarin sprake is van een zeer ingrijpende wijziging van omstandigheden waardoor sprake is van een volkomen wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en wel zodanig dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als partijen zich aan het beding moeten houden. In een andere uitspraak van het hof (ECLI:NL:GHARL:2017:2213) was er sprake van deze wanverhouding. Het ging in deze zaak om een man die in de schuldsanering was terechtgekomen na faillissement. Het hof overwoog hier dat ingeval de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan deze in beginsel slechts beschikken over een bedrag dat de rechter-commissaris voor hem heeft bepaald. In de schuldsanering staat dit bedrag gelijk aan de bijstandsnorm, wat inhoudt dat de onderhoudsplichtige niet langer de draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage te voldoen. In dit geval stelde het hof dat er sprake is van voldoende bijzondere omstandigheden om van de hoofregel te kunnen afwijken. De man werd voor de tijd dat hij in de schuldsanering verkeerde, vrijgesteld van zijn plicht tot het voldoen van partneralimentatie.

Dat het moeilijk is het beding te kunnen wijzigen staat voorop. Een beroep doen op het wijzigen is namelijk in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en zal slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen.

Huwelijksvermogensrecht 29 jan 2019

By | Advocatuur Nieuws | No Comments

Met ingang van 29 Januari 2019 is de EU-verordening Huwelijksvermogensrecht in werking getreden.

In internationale echtscheidingszaken is het vaak onduidelijk welke rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van een geschil omtrent het huwelijksvermogen, welk recht hierop van toepassing is en of en zo ja hoe een buitenlandse beslissing al dan niet in een ander land kan worden erkend en ten uitvoer worden gelegd. Het doel van de Verordeningen is om uniforme internationale privaatrechtelijke regels te hanteren voor wat betreft de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging voor wat betreft beslissingen op het gebied van huwelijksvermogen. 18 landen zijn aangesloten bij de Verordening, te weten: Nederland, België, Bulgarije, Cyprus, Finland, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Luxemburg, Malta, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Spanje, Tsjechië en Zweden.

Op grond van de verordening kunnen de echtgenoten of toekomstige echtgenoten zelf overeenkomen welk recht op hun huwelijksvermogensstelsel van toepassing is. Zij kunnen kiezen voor het recht van het land alwaar één van hen ten tijde van de keuze hun gewone verblijfplaats heeft of voor het recht van het land waarvan één van hen de nationaliteit bezit.

Indien er geen keuze is uitgebracht zal artikel 26 van de verordening worden toegepast. Hierin is bepaald dat het recht zal gelden van de lidstaat waar de echtgenoten zich na het huwelijk hebben gevestigd. Wanneer zij zich niet hebben gevestigd in hetzelfde land, zal het recht van het land van de gemeenschappelijke nationaliteit gelden. In de situatie dat er geen sprake is van een gemeenschappelijke nationaliteit, zal het recht gelden waarmee de echtgenoten de nauwste band hebben.

Ook voor partnerschappen geldt een nieuwe Verordening.

De Verordening geldt voor huwelijken die op of na 29 januari 2019 zijn aangegaan. Voor eerder tot stand gekomen huwelijken geldt in Nederland het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Het Haags huwelijksvermogensverdrag 1978 is van toepassing in Nederland, Luxemburg en Frankrijk.

De EU-verordening Huwelijksvermogensrecht:
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32016R1103

Dag van de Scheiding

By | Holstege Advocaten | No Comments

Advocatenkantoor Holstege Advocaten en Mediation opent op vrijdag 14 september haar deuren tijdens de ‘Dag van de Scheiding’. Op deze dag kunnen bezoekers vrijblijvend kennismaken met de vFAS advocaat-mediator van dit kantoor en meer informatie krijgen over scheiden.

De ‘Dag van de Scheiding’ is door de Nederlandse Vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS) in het leven geroepen. Met de dag wil de vereniging landelijk aandacht vragen voor het belang van deskundige begeleiding bij scheidingen. Jaarlijks gaan in Nederland gemiddeld 35.000 stellen uit elkaar. Uit landelijk onderzoek van de vFAS blijkt dat 42% van hen angst had om te gaan scheiden. Mensen maken zich vooral zorgen over de kinderen en hun financiën. Het uiteindelijke doel van de vFAS is het verbeteren van het proces rondom scheidingen, zodat partners zorgvuldig en respectvol uit elkaar gaan. Ook Holstege Advocaten doet daarom mee aan de Dag van de Scheiding.

Kosteloos advies over scheiden

Tijdens de Dag van de Scheiding opent Holstege Advocaten en Mediation haar deuren voor het publiek. Iedereen kan vrijblijvend informatie verkrijgen over scheiden en mediation en kennismaken met de vFAS advocaat/scheidingsmediator.

Indien u langs wilt komen zouden wij het prettig vinden wanneer u zich aanmeldt. Dit kunt u doen door een mail te sturen naar info@holstegeadvocatuur.nl

Over de vFAS

De bijna duizend advocaten en mediators die lid zijn van de vFAS, zijn gespecialiseerd advocaat en scheidingsmediator. Zij beschikken over actuele juridische kennis op het gebied van onder meer alimentatie, huwelijkse voorwaarden, pensioenverevening en ouderschapsplannen. De aan de vFAS verbonden advocaten/mediators onderscheiden zich door: kennis (o.a. een aanvullende driejarige specialistische vFAS-opleiding), kwaliteit (minimaal vijf jaar ervaring als advocaat) en specialisatie (o.a. jaarlijkse verplichte bijscholing).

Dag van de Scheiding

Holstege Advocaten en Mediation aan de Nassaulaan 1b te Den Haag opent op vrijdag 14 september aanstaande haar deuren. Meer weten over de Dag van de Scheiding? Kijk op www.dagvandescheiding.nl.

Betaalt u niet teveel alimentatie?

By | Advocatuur Nieuws

Per 1 januari 2015 hebben er grote fiscale wijzigingen plaatsgevonden, die grote gevolgen kunnen hebben voor alimentatieplichtige ouders.

Het belastingvoordeel voor betaalde kinderalimentatie is afgeschaft. Ook is het kindgebonden budget sterk toegenomen. Door deze wijzigingen bestaat er in sommige gevallen geen aanleiding meer voor een onderhoudsbijdrage.

Onze gespecialiseerde familierecht advocaten adviseren u graag tegen een vast tarief over de fiscale wijzigingen en de gevolgen daarvan voor uw situatie.

U kunt vrijblijvend contact opnemen met onze advocaten via onze contactgegevens. U kunt natuurlijk ook het contactformulier invullen op onze website.

 

Artsen moeten gezinsvoogd informatie geven

By | Advocatuur Nieuws

Per 1 januari 2015 krijgen gezinsvoogden een wettelijk recht op informatie. Daardoor moeten ook artsen hen desgevraagd de noodzakelijke informatie geven. Zo nodig zonder toestemming van betrokkenen.

De informatie die de arts moet geven, kan betrekking hebben op het kind dat onder toezicht is gesteld, maar ook op zijn of haar ouders of verzorgers. In beide gevallen gaat het alleen om informatie die nodig is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit wil zeggen dat met die kennis kan worden voorkomen dat het kind in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
De spreekplicht van de arts is vastgelegd in de nieuwe wet Herziening kinderbeschermingsmaatregelen, die in 2012 door de Tweede Kamer is aangenomen, en dit voorjaar ook door de Senaat. Doordat de wet een spreekplicht oplegt aan een arts, is deze niet gebonden aan het beroepsgeheim, stelt de KNMG in een persbericht. Ook heeft de arts het recht om op eigen initiatief contact te zoeken met de gezinsvoogd. Wel doet de arts er goed aan om het kind en diens ouders vooraf, of zo snel mogelijk achteraf, te vertellen welke informatie is gegeven.

Tot nu toe konden arts en gezinsvoogd alleen informatie uitwisselen met uitdrukkelijke en gerichte toestemming van betrokkene of bij een ‘conflict van plichten’. De KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld en het model samenwerkingsafspraken informatie-uitwisseling Jeugdzorg-(G)GZ liepen al vooruit op de nieuwe wet.

                                                                                                                bron: “medisch contact”

Nieuwe wetgeving voor duomoeders

By | Advocatuur Nieuws

Sinds 1 april 2014 is het voor vrouwenparen eenvoudiger geworden om beide juridisch ouder te worden van het kind die binnen hun huwelijk of relatie wordt geboren of binnen hun huwelijk of relatie opgroeien.

Gehuwde vrouwenparen/ vrouwenparen met een geregistreerd partnerschap en bevruchting van onbekende zaaddonor

Indien twee vrouwen met elkaar gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan worden beide van rechtswege moeder van een kind dat binnen het huwelijk of geregistreerd partnerschap is geboren. Wel dienen deze vrouwenparen bij de geboorteaangifte een verklaringen te overleggen van de stichting Donorgegevens waarin staat vermeld:

a. dat voor het tot stand komen van de zwangerschap gebruik is gemaakt van Nederlandse kunstmatige donorbevruchting in de zin van artikel 1 onder c sub 1 Wet donorgegevens kunstmatige donorbevruchting;

en

b. dat daarbij gebruik is gemaakt van een anonieme zaaddonor.

Indien voornoemde verklaring kan worden overlegd dan ontstaat het juridische ouderschap van de duomoeder van rechtswege met terugwerkende kracht vanaf de geboorte.

Vrouwenpaar is niet gehuwd of er is gebruik gemaakt van een bekende zaaddonor

Indien de vrouwenparen niet met elkaar gehuwd zijn of indien zij (wel of niet gehuwd zijn) maar besluiten om gebruik te maken van een bekende zaaddonor, dan ontstaat het juridische ouderschap niet van rechtswege. De duomoeder kan in dit geval het kind met toestemming van de geboortemoeder erkennen. Dit geldt ook voor kinderen die voor 1 april 2014 zijn geboren.

Wat als de geboortemoeder geen toestemming geeft voor de erkenning? De duomoeder kan in dit geval vervangende toestemming vragen tot erkenning aan de rechter. Vereiste is dan wel dat zij als levensgezel van de geboortemoeder toestemming heeft gegeven tot de daad die tot de verwekking van het kind heeft geleid. Indien de erkenning in het belang van het kind is zal de rechter de toestemming van de geboortemoeder vervangen.

Roept dit onderwerp vragen bij u op of heeft u te maken met een situatie waarin u tegenwerking ondervindt bij de totstandkoming van uw juridisch ouderschap? Neem dan telefonisch (070-2124391) of via de e-mail (info@holstegeadvocatuur.nl) contact met ons op.

 

 

 

 

Zelfs zonder family life is een omgangsregeling mogelijk

By | Advocatuur Nieuws

Ook al is er geen sprake van family life of is er geen contact geweest tussen de ouder en het kind, dan kan de ouder toch recht hebben op omgang met het kind.

Indien ouders uit elkaar zijn, heeft de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft recht op contactmomenten met het kind. Voorheen was het noodzakelijk dat deze ouder het kind ook heeft erkend of dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de ouder en het kind.

De rechtbank Den Haag heeft echter bepaald dat er toch recht op omgang (contact) kan zijn, als er geen sprake is van family life of als er nooit contact is geweest tussen de ouder en het kind. Er dient dan wel sprake te zijn van intended family life: de ouder heeft van begin af aan contact of omgang gewild met het kind, maar door omstandigheden is dat niet gerealiseerd. Men kan dan denken aan de situatie dat de andere ouder de omgang/ het contact tussen het kind en de ouder tegenhoudt. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of het feit dat er geen omgang plaatsvindt met het kind een inbreuk is op het recht tot bescherming van het privé van de ouder. Indien hiervan sprake is zal alvorens de rechtbank een omgangsregeling vaststelt eerst nog wel beoordeeld dienen te worden of een omgangsregeling in het belang van het kind is.

Mocht u over dit onderwerp vragen hebben dan kunt u mailen naar info@holstegeadvocatuur.nl of neem telefonisch contact met ons op: 070 212 4391

Bron: ECLI:NL:RBDHA:2014:6336

 

Onderhandse afspraak nietig omdat sprake was van een huwelijkse voorwaarde

By | Advocatuur Nieuws

In het kader van hun echtscheiding twisten M en V bij de rechtbank onder meer over het finaal verrekenbeding dat zij in 1997 hadden opgenomen in hun huwelijkse voorwaarden.

In 2009 hebben M en V een onderhandse overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat bij een eventuele echtscheiding de woning van V buiten de finale verrekening wordt gehouden. Volgens de rechtbank behelst deze afspraak een wijziging van de huwelijkse voorwaarden die op straffe van nietigheid bij notariële akte moet worden aangegaan (artikel 1:115 BW). Dit zou anders kunnen zijn als de overeenkomst is gemaakt met het oog op een ophanden zijnde echtscheiding, maar V heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Het ondertekenen van de onderhandse overeenkomst is volgens de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat verrekening van de woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Artikel 1:115 BW strekt immers ter bescherming van partijen bij de huwelijkse voorwaarden. Door de inhoud van de overeenkomst toch mee te nemen, zou de rechtbank voorbijgaan aan het oogmerk van de vereiste tussenkomst van de notaris, te weten wijziging van huwelijkse voorwaarden door onkunde en feitelijk overwicht te voorkomen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de overeenkomst uit 2009 niet moet worden meegenomen.

Tijdens het huwelijk heeft V door een ongeluk letsel opgelopen. In verband hiermee is na de peildatum voor de verrekening aan haar een schadevergoeding uitgekeerd. Omdat sprake is van een verrekeningbeding alsof partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen, is de rechtbank van oordeel dat het leerstuk van verknochtheid van schadevergoeding geldt. Dat de schadevergoeding pas ná de peildatum is uitgekeerd, acht de rechtbank niet van belang, omdat het ongeluk – en de daaruit voortvloeiende vordering tot schadevergoeding – vóór de peildatum heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat voor zover de schadevergoeding ziet op immateriële schade deze aan V is verknocht omdat deze geldt als compensatie voor de schade die het slachtoffer zelf heeft geleden. Voor wat betreft het deel van de vergoeding dat ziet op materiële schade oordeelt de rechtbank dat voor zover de uitkering ziet op verlies van verdienvermogen (€ 15.000) deze moet worden verdeeld over het normale werkzame leven van V. Zij was ten tijde van het ongeluk 46 jaar en toen dus nog 19 jaar verwijderd van haar 65e jaar. Omdat tussen het ongeluk en de peildatum 4 jaar ligt, komt € 3.158 (€ 15.000 x 4/19) voor verrekening in aanmerking. Voor zover de uitkering ziet op huishoudelijke hulp en verlies van zelfredzaamheid (€ 45.000) gaat de rechtbank ervan uit dat V nog 30 jaar na het ongeluk lichamelijke beperkingen daarvan zal ondervinden met als gevolg dat hiervan € 6.000 (€ 45.000 x 4/30) voor verrekening in aanmerking komt.

Tijdens het huwelijk heeft M geld geërfd. Omdat dit geld is gestort op een gezamenlijke bankrekening, is de rechtbank van oordeel dat V moet bewijzen dat het geld voor privédoeleinden van M is gebruikt. Omdat V dit heeft nagelaten, heeft M een vordering op V.

Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6392 (VFAS JurisprudentieFLITS)