Vaststelling behoefte jong meerderjarige die op de middelbare school zit.

By 29 april 2014Advocatuur Nieuws

Het huwelijk tussen M en V is in 1996 door echtscheiding ontbonden. Uit het huwelijk is in 1994 zoon Z geboren. M voldeed met ingang van 15 juli 2009 tot 10 februari 2012 (de dag waarop Z meerderjarig werd) een bijdrage aan de gemeente voor Z, omdat V een WW-uitkering ontvangt. Sinds Z meerderjarig is geworden, betaalt M hem een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 250 per maand.

Z verzoekt de rechtbank te bepalen dat M met ingang van 10 februari 2012 een bijdrage van € 544 per maand in de kosten van levensonderhoud en studie van Z dient te voldoen. De rechtbank willigt het verzoek in, in die zin dat het door M te betalen bedrag wordt vastgesteld op € 498.
In hoger beroep is onder meer in geschil op welk bedrag de behoefte van Z dient te worden gesteld.
Door de rechtbank is bepaald dat er in de levensomstandigheden van Z – afgezien van het bereiken van de meerderjarige leeftijd – niets is gewijzigd, zodat aansluiting is gezocht bij de door de gemeente aan M opgelegde verhaalsbijdrage van € 510 per maand. De rechtbank heeft dit bedrag gecorrigeerd met het bedrag aan kinderbijslag van € 92 (omdat daarop geen recht meer bestaat) en bepaalde de behoefte van Z op € 602 per maand.

Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat de behoefte van een kind verandert op het moment dat het kind de meerderjarige leeftijd bereikt.

Daar Z op de middelbare school zit, heeft hij recht op een toelage ingevolge de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS). Anders dan de WSF-norm, kan de toelage op grond van de WTOS niet als uitgangspunt dienen voor het vaststellen van de behoefte van de jongmeerderjarige, nu uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de basistoelage niet beoogt de kosten van levensonderhoud van de leerling te dekken. Het hof gaat bij de berekening van de behoefte van Z daarom uit van de WSF-norm.
Vervolgens dient de in de WSF-norm opgenomen component voor lesgeld, boeken en leermiddelen gecorrigeerd te worden, aangezien een middelbare scholier, zoals Z, andere kosten maakt voor lesgeld, boeken en leermiddelen dan een student in het beroepsonderwijs.

Nu de ingangsdatum van de door M aan Z te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie op 4 september 2012 is bepaald, is de WSF-norm voor een thuiswonende student in het beroepsonderwijs in het schooljaar 2012/2013 relevant. De WSF-norm bedroeg in dat schooljaar € 554,50. Hierin wordt geacht rekening te zijn gehouden met de kosten van levensonderhoud, de premie ziektekostenverzekering, de studiekosten (boeken, schrijfmaterialen e.d.) en de onderwijsbijdrage. Het hof gaat er vanuit dat in dit normbedrag een bedrag van € 50 voor studiekosten en een bedrag van (afgerond) € 85 aan onderwijsbijdrage is opgenomen. Dit betekent dat de post levensonderhoud en premie ziektekostenverzekering € 419,50 bedraagt.

Z volgt regulier voortgezet onderwijs, zodat hij – anders dan bij het volwassen voortgezet onderwijs – geen lesgeld hoeft te betalen. Onbetwist is dat het schoolfonds het schoolgeld voor Z betaalt. Er zijn daarnaast wel bijzondere schoolkosten die Z dient te voldoen, onder meer voor de schoolweek naar Frankrijk, een grafische rekenmachine, kaftpapier, een tas en verplichte extra literatuurboeken. Het hof acht het redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 50 per maand aan bijzondere schoolkosten.
De behoefte van Z bedraagt derhalve (€ 419,50 + € 50 =) € 469,50 per maand.

Z maakt aanspraak op een basistoelage en een aanvullende toelage op grond van de WTOS van in totaal € 183,88 per maand. Dit bedrag strekt in mindering op zijn behoefte. Daarnaast dient ook de zorgtoeslag die Z ontvangt (€ 88 per maand) in mindering te komen op zijn behoefte.
De resterende behoefte van Z bedraagt derhalve (afgerond) € 198 per maand.

Z heeft een bijbaantje waarmee hij ± € 100 per maand verdient. Aangezien dit slechts een gering inkomen betreft, houdt het hof hier geen rekening mee.

Het hof ziet geen aanleiding om de behoefte van Z te verhogen met de door hem gestelde bijdrage aan V voor kost en inwoning (€ 250 per maand), de premie ziektekostenverzekering (€ 122 per maand), de kosten voor zijn telefoonabonnement (€ 14 per maand), de kosten voor kleding en de kosten voor sport, aangezien het hof er vanuit gaat dat deze kosten grotendeels zijn inbegrepen in de post levensonderhoud van € 419,50 per maand.
Ook verhoogt het hof de behoefte van Z niet met de door hem te betalen wegenbelasting voor zijn auto, daar Z de noodzaak voor het in eigendom hebben van een auto onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het hof merkt daarbij op dat Z deze kosten kan voldoen uit zijn bijbaantje.
Z heeft verklaard dat hij in de toekomst – als hij gaat studeren – op kamers wil gaan wonen en dat hij daarvoor moet sparen. Het hof ziet echter geen reden om met die wens thans al rekening te houden in de bepaling van de behoefte van Z.

De conclusie luidt dat de resterende behoefte van Z op € 198 per maand kan worden gesteld. Echter, omdat M heeft aangeboden om een bijdrage te voldoen van € 250 per maand, vormt dit de ondergrens van het geschil en bepaalt het hof dienovereenkomstig.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1081 (VFAS FL!TS)

Holstege (18)