Ontslag door overspannenheid: verwijtbaar inkomensverlies

By 28 april 2014november 14th, 2020Advocatuur Nieuws

Het huwelijk van M en V is in 2013 door echtscheiding ontbonden. Partijen zijn de ouders van drie (thans nog minderjarige) kinderen, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen wonen bij V.
Bij beschikking van 19 maart 2013 heeft de rechtbank de door M te betalen kinderalimentatie bepaald op € 510 per kind per maand.
M was tot 1 januari 2013 in loondienst bij X, waar hij een bruto maandsalaris van € 7.000 genoot. Sinds 1 januari 2013 ontvangt hij een WW-uitkering van € 2.540 bruto per maand.

M verzoekt de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen. Volgens M moet bij de berekening van zijn draagkracht rekening worden gehouden met zijn huidige inkomen op basis van zijn uitkering. V stelt dat er aan de zijde van M sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en dat daarom rekening moet worden gehouden met het inkomen dat hij ontving bij X.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het inkomen dat M vóór de beëindiging van zijn dienstverband ontving voor herstel vatbaar is. Vast staat dat M en X in overleg hebben besloten dat het dienstverband van M zou eindigen per 1 januari 2013. M heeft verklaard dat de reden voor de beëindiging van zijn dienstverband is gelegen in het feit dat zijn privéproblemen door de echtscheiding steeds meer zijn werkzaamheden gingen beïnvloeden en – naar het oordeel van X – van M een ongeoorloofde inmenging gingen vormen. Gelet op die gang van zaken acht het hof het voldoende aannemelijk dat M niet kan terugkeren in zijn baan bij X.
Voorts blijkt uit de door M overgelegde (afwijzingen op) sollicitaties dat hij regelmatig activiteiten verricht om werk te vinden, maar dat het hem nog niet gelukt is om een betaalde baan te vinden. Bovendien is M, omdat hij een WW-uitkering ontvangt, ook verplicht om te solliciteren en wordt hij uit dien hoofde door het UWV gecontroleerd. Het hof is van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat het inkomen van M niet voor herstel vatbaar is.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of M zich, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen, had dienen te onthouden van gedragingen die tot zijn ontslag, met als gevolg de inkomensvermindering, hebben geleid. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. M heeft onvoldoende onderbouwd dat hij getracht heeft te voorkomen dat zijn psychische gesteldheid zijn functioneren in zijn werk zou belemmeren, bijvoorbeeld door professionele hulpverlening in te schakelen. Verder komt het hof niet aannemelijk voor dat X (die M in december 2011 nog een gratificatie van € 12.500 toekende en op 16 juli 2012 een tussentijdse gratificatie van € 2.500 als teken van waardering voor zijn inzet en inspanningen) M wegens disfunctioneren had mogen ontslaan, ook al heeft dit plaatsgevonden via een door M getekende beëindigingsovereenkomst. M, die sinds 2009 in dienst was bij X, had onder de gegeven omstandigheden niet mogen instemmen. Daarbij komt dat uit de stukken ook niet blijkt van enig verzet van M jegens de wens van X om tot het einde van het dienstverband te komen.
Het hof is van oordeel dat voornoemd handelen en nalaten aan M kan worden verweten, dat het daardoor ontstane inkomensverlies aan hem kan worden toegerekend en dat de gevolgen daarvan volledig voor zijn rekening dienen te komen. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van M dan ook uit van het inkomen dat hij in 2012 bij X ontving.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9777 (Vfas FL!TS)Alimentatie website