Onderhandse afspraak nietig omdat sprake was van een huwelijkse voorwaarde

In het kader van hun echtscheiding twisten M en V bij de rechtbank onder meer over het finaal verrekenbeding dat zij in 1997 hadden opgenomen in hun huwelijkse voorwaarden.

In 2009 hebben M en V een onderhandse overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat bij een eventuele echtscheiding de woning van V buiten de finale verrekening wordt gehouden. Volgens de rechtbank behelst deze afspraak een wijziging van de huwelijkse voorwaarden die op straffe van nietigheid bij notariële akte moet worden aangegaan (artikel 1:115 BW). Dit zou anders kunnen zijn als de overeenkomst is gemaakt met het oog op een ophanden zijnde echtscheiding, maar V heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

Het ondertekenen van de onderhandse overeenkomst is volgens de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat verrekening van de woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Artikel 1:115 BW strekt immers ter bescherming van partijen bij de huwelijkse voorwaarden. Door de inhoud van de overeenkomst toch mee te nemen, zou de rechtbank voorbijgaan aan het oogmerk van de vereiste tussenkomst van de notaris, te weten wijziging van huwelijkse voorwaarden door onkunde en feitelijk overwicht te voorkomen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de overeenkomst uit 2009 niet moet worden meegenomen.

Tijdens het huwelijk heeft V door een ongeluk letsel opgelopen. In verband hiermee is na de peildatum voor de verrekening aan haar een schadevergoeding uitgekeerd. Omdat sprake is van een verrekeningbeding alsof partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen, is de rechtbank van oordeel dat het leerstuk van verknochtheid van schadevergoeding geldt. Dat de schadevergoeding pas ná de peildatum is uitgekeerd, acht de rechtbank niet van belang, omdat het ongeluk – en de daaruit voortvloeiende vordering tot schadevergoeding – vóór de peildatum heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat voor zover de schadevergoeding ziet op immateriële schade deze aan V is verknocht omdat deze geldt als compensatie voor de schade die het slachtoffer zelf heeft geleden. Voor wat betreft het deel van de vergoeding dat ziet op materiële schade oordeelt de rechtbank dat voor zover de uitkering ziet op verlies van verdienvermogen (€ 15.000) deze moet worden verdeeld over het normale werkzame leven van V. Zij was ten tijde van het ongeluk 46 jaar en toen dus nog 19 jaar verwijderd van haar 65e jaar. Omdat tussen het ongeluk en de peildatum 4 jaar ligt, komt € 3.158 (€ 15.000 x 4/19) voor verrekening in aanmerking.

Voor zover de uitkering ziet op huishoudelijke hulp en verlies van zelfredzaamheid (€ 45.000) gaat de rechtbank ervan uit dat V nog 30 jaar na het ongeluk lichamelijke beperkingen daarvan zal ondervinden met als gevolg dat hiervan € 6.000 (€ 45.000 x 4/30) voor verrekening in aanmerking komt.

Tijdens het huwelijk heeft M geld geërfd. Omdat dit geld is gestort op een gezamenlijke bankrekening, is de rechtbank van oordeel dat V moet bewijzen dat het geld voor privédoeleinden van M is gebruikt. Omdat V dit heeft nagelaten, heeft M een vordering op V.

Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6392 (VFAS JurisprudentieFLITS)